bij de opening van de expositie LAND, Kunstcentrum De Kolk, Spaarndam

Beste Alice, beste Ronald, beste Helmuth, en beste Harry,  Dames en heren,
Het is al een hele tijd geleden dat ik voor het eerst in Den Helder kwam.

Ik was daar nog niet eerder geweest. Wel in Istanboel, maar niet in Den Helder.

Ik vond het wel mooi, de  grijze schepen, de grijze lucht, de weerspiegelingen.

De volgende dag was ik op de academie waar ik les gaf en sprak een leerling die, naar ik wist, in Den Helder woonde.

Ik  was gisteren in Den Helder, zei ik, ik vond het wel mooi.

Ach, zegt de jongen een beetje  misprijzend, het is allemaal zo impressionistisch.
Daar dient over te worden nagedacht.

Is Den Helder impressionistisch?

Dan toch niet vóór het impressionisme. En Schagen dan? Daar is niets van bekend.

Een probleem, hopelijk hier  vóór half 12 opgelost.
Begin 17e eeuw werd het landschap in de kunst een zelfstandig thema, het landschap kreeg  prestige.

Prestigieus is ook het goede woord voor de landschappen van

Claude Lorrain,  groot en plechtig.

Vooral in Engeland was Claude geliefd en zijn invloed wijdverbreid.  Tuinaanleg en landschap werden gevormd naar zijn voorbeeld.

Het ‘Claude‐glass’ werd uitgevonden : een antiek, gekleurd vaasje, waardoor gekeken de wereld eruitzag als van  Claude Lorrain.
Dit nu was juist een gruwel voor John Constable, schilder uit het

begin van de 19e eeuw.  Constable schilderde buiten, fris en fruitig naar de levende natuur, en veroordeelde elke  academische formaliteit en onnatuurlijkheid, en deed dat ook

verbaal.

Na een voordracht van hem merkte een colletioneur op :  “Nou meneer Constable, ik denk dat ik mijn Claude Lorrains maar moet verkopen”. Waarop Constable antwoordde: “Verkopen? Je moet ze  verbranden.”
De traditie van het direct naar de natuur werken heeft zich tot op heden voortgezet, en met  Alice Brasser hebben we een prachtexemplaar van die traditie in

huis.

Bomen, grassen, velden, bloemen, nacht en schemer, reflectie, licht en schaduw zegt ze zelf.

Ik voeg erbij  : lucht, groeikracht, wind.

En dat alles in een vitale penseelvoordracht en in een feestelijk  kleurengamma.

Haar grafische aanleg is niet minder evident.
De twee andere exposanten leid ik in met een citaat over en van Gerrit Komrij, verwoord bij  de verschijning van zijn verzamelde gedichten:
Plotseling realiseerde hij (Komrij) zich dat hij in zijn gedichten

niet de natuur zo  volledig mogelijk in woorden moest vangen.

“Het ging erom door de rangschikking  van woorden een eigen, geïsoleerde natuur te scheppen.

Het ging erom de impressie  te vermoorden.”
Vermoordt Alice de impressie? Goddank niet, dacht ik zo.

Ronald Ruseler gaat in dit gezelschap het verst in het “door de rangschikking van woorden

een eigen, geïsoleerde  natuur te scheppen”, maar hij vermoordt pijnloos.

Margreet en Ronald reisden veel en ver.  Ronald vergaart met wat voor middelen dan ook patronen van landschappen, structuren, en  ruimtelijke sensaties. Alles kan dienen.

Uit dat magazijn put hij, en daaruit verzamelt hij de  ingrediënten voor het imaginaire gebeid dat hij

het Territorium van Ronald Ruseler noemt.  Hij legt zich niet vast en staat open voor alle verrassingen,

ook technisch, en hij teert niet op  verworvenheden.

In zijn recente collages van planten daalt hij af van de toppen van de  Andes naar flora waar hij Alice zou kunnen tegenkomen.

Ronald’s oeuvre typeren komt  neer op de onmogelijkheid daarin te slagen.
Helmuth van Galen kijkt over ons heen en negeert onze platvloerse nabijheid.

Hij oriënteert zich op de horizon, liever nog de einder te noemen. Zijn werken ontberen gras, steen, mens en dier, paal en perk. Zelfs in de titel distantieert hij zich van het landschap

en spreekt van Buitenruimte.

Daarbij verwijst hij de insider van zijn oeuvre naar

de Binnenruimten die hij  eerder maakte met dezelfde middelen, toen met staande bestanddelen, nu met liggende.
De soberheid die hem eigen is, doet des te meer een beroep op de toeschouwer.

Ja, die  onmisbare toeschouwer, die bereid moet zijn een het papier

schampende penseelstreek te  ervaren als landtong of stadsdeel.

Nog wonderbaarlijker als dat lukt met de kleinste  formaten, want tenslotte lijkt zo’n geverfd plankje in niets op de

gerepresenteerde  werkelijkheid.

Vriend en collega Jan Sanders, geboren en getogen in Noord‐Holland boven
het Noordzeekanaal, noemde het gebied niet vlak maar plat.

Bij Helmuth is het omgekeerde  gerealiseerd: het landschap is niet plat maar vlak.
De 18e‐eeuwer die door het ‘Claude‐glass’ kijkt, laat zich willens en wetens bedriegen door  te denken de wereld te zien zoals Claude Lorrain.

Wie Den Helder mooi wil vinden – of juist  niet! – heeft het Impressionisme nodig.

Niet de plek geeft de doorslag maar de kijker, maar  dan wel dankzij de kunst.

Deze expositie zet de ramen weer wijd open.

Een goed idee,  Harry!
Zoals Frans Thomése de opening van

mijn expositie eertijds besloot:

ziet u zelf maar.

3 maart 2018

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *